De Profeet (moge Allah's vrede en zegeningen op hem zijn) informeerde over 'Abdullah ibn Jud'ān, een van de leiders van Quraysh vóór de Islam; en zijn goede daden zijn onder andere dat hij de verwantschapsbanden onderhield, de armen te eten gaf en andere nobele daden deed die door de Islam worden geprezen. De Profeet (moge Allah's vrede en zegeningen met hem zijn) wees erop dat deze daden hem in het Hiernamaals niet ten goede zullen komen vanwege zijn ongeloof in Allah en het feit dat hij nooit heeft gezegd: Mijn Heer, vergeef mijn zonden op de Dag des Oordeels.