Oebadah ibn As-Samit, moge Allah tevreden zijn met hem, die de Slag bij Badr heeft meegemaakt en een vooraanstaand lid was van zijn volk dat zich op de Nacht van Aqabah in Mina verzamelde om de Boodschapper van Allah (vrede zij met hem) te steunen, rapporteert dat de Profeet (vrede zij met hem) zittend tussen zijn metgezellen, hen vroeg om hem de volgende zaken te beloven: 1. Dat zij in de aanbidding van Allah geen deelgenoten zullen toekennen, hoe klein het ook is. 2. Dat zij niet zullen stelen. 3. Dat zij geen schandelijke daden van ontucht zullen plegen. 4. Dat zij hun kinderen niet zullen doden, of het nu jongens zijn uit angst voor armoede of meisjes uit angst voor schande. 5. Dat zij geen leugens zullen fabriceren met hun handen en voeten, omdat de meeste zonden via deze ledematen worden begaan. 6. Dat zij de Profeet (vrede zij met hem) niet zullen ongehoorzaam zijn in wat goed is. Wie van hen zich aan deze belofte houdt, zijn beloning is bij Allah. En wie iets van de genoemde zaken, behalve afgoderij, begaat en daarvoor in deze wereld gestraft wordt, is daarmee als het ware boetedoening voor zichzelf en wie iets begaat dat Allah verbergt, is het aan Allah; als Hij wil, vergeeft Hij hem en als Hij wil, straft Hij hem. Vervolgens gaven alle aanwezigen hem hun belofte op deze voorwaarden.