De profeet (vrede zij met hem) informeert over twee eigenschappen onder de mensen die behoren tot de daden van de ongelovigen en de omgangsvormen van de tijd van onwetendheid, namelijk: De eerste: Het belasteren van de afstamming van mensen, hen in diskrediet brengen en neerkijken op hen. De tweede: Het verheffen van de stem bij een tegenslag uit onvrede met het lot of het scheuren van kleding uit intense wanhoop.