De profeet (vrede zij met hem) legde uit dat geen enkele moslim zich gereedmaakt voor het verplichte gebed, zijn wassing zorgvuldig voltooit, vervolgens nederig bidt met zijn hart en al zijn ledematen gericht op Allah, bewust van Zijn grootsheid, en de handelingen van het gebed correct uitvoert, zoals het buigen en prostreren en andere, zonder dat dit gebed de kleine zonden die voorafgaan vergeeft, tenzij iemand geen ernstige zonde begaat. Deze deugd reikt door de tijd heen en geldt voor elk gebed.