De profeet (vrede zij met hem) hief zijn handen op op drie momenten tijdens het gebed, tegenover of ter hoogte van de schouder, dat wil zeggen: Het punt waar de schouder- en elleboogbotten samenkomen. Het eerste punt: Wanneer de gebeden worden geopend bij het zeggen van de Takbier al-Ihram. Het tweede: Wanneer men de Takbier voor de neerbuiging zegt. Het derde: Wanneer men zijn hoofd optilt na de neerbuiging en zegt: "Sami'a Allahu liman hamidah, Rabbana wa lakal-hamd." En hij hief zijn handen niet bij het begin van de neerknieling, noch bij het opstaan ervan.