De Profeet (vrede zij met hem) stelde een man genaamd Ibn al-Loetbiyya aan om de zakaat te innen bij de stam van Banoe Soelaym. Toen deze man terugkeerde naar de stad Medina, legde hij verantwoording af over de inkomsten en uitgaven en zei: Dit is het geld dat aan de gemeenschap toekomt en dit deel is aan mij geschonken als gift. De Profeet (vrede zij met hem) sprak tot hem: "Had je dan niet beter in het huis van je vader en moeder gebleven, om te zien of men jou daar ook een gift zou brengen als je oprecht bent? De werkzaamheden waarvoor je bent aangesteld, vormen immers de ware reden waarom men je schenkt; zou je thuisgebleven zijn, dan had men je niets gegeven. Het is daarom niet toegestaan deze giften als persoonlijk bezit toe te eigenen, enkel omdat zij jou als geschenk bereiken." Daarop besteeg de Profeet (vrede zij met hem) verontwaardigd de preekstoel, prees Allah, loofde Hem en sprak: Welnu, ik stel een van jullie aan in een functie over hetgeen Allah mij heeft toevertrouwd, waaronder de liefdadigheidsgelden en oorlogsbuit. Dan keert hij terug van zijn taak en zegt: “Dit is voor de gemeenschap en dit is een gift die aan mij persoonlijk is gegeven.” Had hij dan niet beter in het huis van zijn vader en moeder gezeten, om te zien of hem daar ook giften werden gebracht? Bij Allah, niemand onder jullie zal ook maar iets nemen waar hij geen recht op heeft, of hij zal zijn Heer ontmoeten op de Dag der Opstanding, terwijl hij dat voorwerp op zijn schouders draagt: een kameel die luid brult, of een koe die loeit, of een schaap dat blaat.’ Daarna hief de Profeet zijn beide handen krachtig omhoog, zodat de omstaanders het wit van zijn oksels konden zien en hij sprak: '‘O Allah, heb ik de boodschap overgebracht?’' Aboe Hoemayd As-Saaʿidi (moge Allah tevreden met hem zijn) getuigde: ‘'Mijn eigen ogen hebben het gezien, mijn eigen oren hebben het gehoord.’