De Profeet (vrede zij met hem) heeft bepaalde handelingen die kenmerkend waren voor de periode van Djahilliya (de pre-islamitische tijd) afgekeurd en verboden. Hij zei: 'Hij behoort niet tot ons': Eerst: die zijn wangen slaat (specifiek het slaan op de wangen, omdat dat het meest voorkomende is in dat opzicht), anders zou het slaan van andere delen van het gezicht ook vallen onder dit verbod. Ten tweede: die zijn kleding scheurt om zijn hoofd erdoorheen te steken vanwege extreme verdriet. Ten derde: die de woorden van de onwetenden uitspreekt, zoals het roepen van wee, ondergang, het uiten van kreten en andere soortgelijke zaken.