De Profeet (vrede zij met hem) heeft enkele kenmerken van de bewoners van het Paradijs en het Vuur beschreven. De meeste bewoners van het Paradijs zijn ‘zwak en nederig', dat wil zeggen, degenen die zich oprecht en onderdanig aan Allah overgeven en zichzelf verlagen in aanbidding voor Hem. Zelfs al zouden sommige mensen hen als zwak of onbeduidend beschouwen, deze mensen, die zich nederig opstellen tegenover Allah, zouden als zij bij Allah zweren, hun eed waarmaken. Allah zou hen dan vervullen in wat zij hebben gezworen en hun gebeden verhoren. De meeste bewoners van het Vuur zijn degenen die als 'hard' en 'ruw' worden omschreven: mensen die onbeschoft en bot zijn, met een felle vijandigheid. Ook degenen die wreed en ongevoelig voor het goede zijn, evenals de hoogmoedigen met een grote eetlust, degenen met een imposant lichaam en een arrogante houding en degenen met een slecht karakter. Verder zijn zij verwaand door hun afwijzing van de waarheid en hun minachting voor anderen.