De Profeet (vrede zij met hem) vertelde dat zijn Oemma de laatste is wat betreft tijd en bestaan, maar de eersten die op de Dag des Oordeels rekenschap zullen moeten afleggen. Er zal op die dag worden gevraagd: “Waar is de ongeletterde Oemma en haar Profeet?” Dit verwijst naar de ongeletterdheid van de Profeet (vrede zij met hem) wat betreft lezen en schrijven. Zo zullen zij als eersten tot rekenschap worden geroepen; wij zijn de laatsten in tijd en bestaan, maar de eersten in het ondergaan van de berekening op de Dag des Oordeels en bij het betreden van het Paradijs.