De Boodschapper (moge Allah Zijn vrede en zegeningen met hem zijn) verteld dat Jibrīl hem bleef instrueren dat de buurman, die naast iemands huis woont, of hij nu een moslim of een niet-moslim is, of al dan niet familielid is, zijn rechten moet geven, geen schade mag berokkenen, vriendelijk behandeld moet worden en geduldig met hem moet zijn. In zoverre dat de Profeet (moge Allah Zijn vrede en zegeningen met hem zijn) dacht, vanwege de sterke nadruk op de rechten van de buren en Jibrīl's herhaalde instructie hierover, dat er een openbaring zal verschijnen die zijn buur een deel van zijn erfenis geeft na zijn dood.