Twee mannen kwamen naar de Profeet (vrede zij met hem) tijdens de Vaarwelbedevaart, terwijl hij de liefdadigheid verdeelde en zij vroegen hem om een deel daarvan. De Profeet (vrede zij met hem) keek herhaaldelijk naar hen, om hun toestand te beoordelen en te bepalen of de liefdadigheid hen toekwam. Hij zag hen als twee sterke mannen en zei: “Indien jullie dat wensen, zal Ik het aan jullie geven uit de liefdadigheid. Er is geen deel daarin voor wie voldoende bezit heeft, noch voor wie in staat is door eigen arbeid en inspanning te voorzien, zelfs als hij niet genoeg bezit heeft om rijk te zijn."