De Profeet (vrede zij met hem) bevond zich in de moskee, samen met zijn metgezellen. Daarop kwam er een bedoeïen uit de woestijn, die ging zitten en begon te urineren in een hoek van de moskee. De metgezellen berispten hem en zeiden: "Houd op, stop daarmee!" Maar de Profeet (vrede zij met hem) sprak: "Laat hem begaan, onderbreek zijn behoefte niet." Zij lieten hem met rust tot hij volledig klaar was. Daarna riep de Profeet (vrede zij met hem) hem tot zich en zei: "Voorwaar, de moskeeën zijn niet geschikt voor dit soort onreinheid of andere vormen van verontreiniging. Zij zijn uitsluitend bestemd voor de vermelding van Allah, de Verhevene, voor het gebed en voor het reciteren van de Koran en dergelijke vormen van aanbidding." Daarna gaf de Profeet (vrede zij met hem) een van zijn metgezellen de opdracht om een emmer gevuld met water te halen. Deze bracht de emmer, waarna de Profeet het water zonder moeite uitgoot over de plaats waar de man had geürineerd.