De Profeet (vrede zij met hem) verbood de voogd of degene die verantwoordelijk is voor een vrouw om haar de toegang tot de moskeeën te ontzeggen. Tegelijkertijd gebood hij dat vrouwen, wanneer zij de moskeeën betreden, dit doen zonder overmatige geuren of opzichtig pronkgedrag, zodat zij geen aanleiding tot verleiding voor de mannen vormen.