Laqiet ibn Sabirah — moge Allah tevreden over hem zijn — vertelt dat hij samen met anderen van de stam Banou al-Muntafiq als afgevaardigde naar de Profeet (vrede zij met hem) kwam: "Toen zij de woning van de Profeet (vrede zij met hem) bereikten, troffen zij hem niet aan, maar ontmoetten zij Aisha — moge Allah tevreden over haar zijn. Zij beval dat er voor hen een gerecht werd bereid van vlees, meel en vet en dat er een schaal met dadels werd gebracht." Daarop arriveerde de Profeet (vrede zij met hem) en vroeg of er iets voor hen was klaargemaakt? Zij antwoordden bevestigend. Terwijl zij in zijn gezelschap zaten, bracht de herder van de Profeet (vrede zij met hem) de schapen naar hun rustplaats en droeg een lammetje dat mekkerde.De Profeet (vrede zij met hem) vroeg: “Wat heeft zij gebaard?” De herder antwoordde: “Een vrouwtjeslam.” De Profeet (vrede zij met hem) zei: “Slacht ter vervanging daarvan een volwassen schaap voor ons.” Vervolgens verklaarde hij: “Denk niet dat wij speciaal voor jullie deze schaap slachten. Wij hebben honderd schapen en wensen dat dit aantal niet toeneemt. Iedere keer dat er een lam wordt geboren, slachten wij een volwassen schaap ter vervanging.” Laqiet zei: “O Boodschapper van Allah, ik heb een vrouw met een onbeschaamde tong. Wat dien ik met haar te doen?” De Profeet (vrede zij met hem) antwoordde: “Scheid van haar.” Laqiet vervolgde: “O Boodschapper van Allah, zij is reeds lange tijd mijn gezellin en ik heb kinderen bij haar.” De Profeet (vrede zij met hem) zei: “Vermaan haar. Als er goedheid in haar schuilt, zal zij zich laten vermanen. Sla uw vrouw niet zoals u een slaaf zou slaan.” Daarop zei Laqiet: “O Boodschapper van Allah, leer mij de wassing (woedoe).” De Profeet (vrede zij met hem) antwoordde: “Volmaak de wassing volledig, reinig de ruimte tussen de vingers zorgvuldig, en wees grondig bij het inhalen van water in de neus, behalve wanneer je vast, opdat het water niet in de keel terechtkomt.”