De Profeet (vrede zij met hem) verbood aanvankelijk het slaan van echtgenotes. Daarop kwam de leider van de gelovigen, ʿOmar ibn al-Khattaab — moge Allah tevreden met hem zijn — en zei: ‘'O Boodschapper van Allah, de vrouwen zijn brutaal geworden tegenover hun echtgenoten en hun gedrag is slecht geworden.’' Daarop gaf de Profeet (vrede zij met hem) onder strikte voorwaarden toestemming om hen met lichte, niet-schadelijke tikken tot rede te brengen, bijvoorbeeld indien zij zich verzetten tegen hun echtelijke plichten of opzettelijk ongehoorzaam zijn. Vervolgens kwamen er vrouwen bij de echtgenotes van de Profeet (vrede zij met hem) die hun beklag deden over buitensporig en pijnlijk geweld van hun echtgenoten en over het misbruik van deze beperkte toestemming. Daarop sprak de Profeet (vrede zij met hem): “Die mannen die hun vrouwen met buitensporige hardheid slaan, behoren niet tot de besten onder jullie.”