De Profeet (vrede zij met hem) beval iedereen die onrecht heeft aangedaan aan zijn broeder in diens eer, bezit of leven, dat hij zijn onrechtpleger dient te verzoeken om vergiffenis zolang hij nog in deze wereld leeft, vóórdat de Dag des Oordeels aanbreekt, wanneer geen gouden dinar noch zilveren dirham iemand ten bate zal zijn om zijn ziel mee vrij te kopen; want de vergelding op die dag geschiedt door goede en kwade daden: aan de benadeelde worden van de goede daden van de onrechtpleger afgenomen naar de mate van het onrecht dat hem werd aangedaan en indien de onrechtpleger geen goede daden bezit, worden diens zonden vermeerderd met de zonden van de benadeelde naar de omvang van het onrecht.