Abdellah ibn Mas'oed — moge Allah tevreden over hem zijn — verhaalde dat zij zich eens met de Profeet (vrede zij met hem) op reis bevonden. De Profeet verwijderde zich tijdelijk om aan zijn behoefte te voldoen. Ondertussen zagen zijn metgezellen een roodkleurige vogel, een ḥumra, die twee kuikens bij zich had en zij namen de jongen van haar weg. De moeder begon haar vleugels uit te spreiden en hevig te fladderen, bevangen door angst en onrust om het verlies van haar kleintjes. Toen de Boodschapper van Allah (vrede zij met hem) terugkeerde en dit aanschouwde, sprak hij: “Wie heeft deze vogel bedroefd en haar angst aangejaagd door haar jongen van haar weg te nemen?!” Vervolgens beval Hij (hem) haar terug te geven. Daarna zag hij een mierenhoop die in brand was gestoken. Hij vroeg: “Wie heeft dit vuur aangestoken en deze mieren verbrand?” Sommigen van zijn metgezellen antwoordden: “Dat waren wij.” Waarop hij hen toesprak: “Niemand heeft het recht om een levend wezen met vuur te straffen, behalve Allah, de Schepper van het vuur.”