De Profeet (vrede zij met hem) maakt duidelijk dat het voor eenieder van de mensen beter is om een vorm van werk te verrichten, hoe bescheiden ook — al is het slechts een touw nemen, brandhout verzamelen, het op zijn rug dragen en het verkopen om daarmee in levensonderhoud te voorzien, te geven in liefdadigheid of zich ermee te vrijwaren van afhankelijkheid van anderen — dan te moeten vragen aan de mensen, die hem misschien geven, maar hem evengoed kunnen weigeren. Want het vragen aan mensen is een bron van vernedering, terwijl de gelovige behoort te leven in waardigheid en eer, vrij van knechting.