De Profeet (vrede en zegeningen zij met hem) heeft de positie van de handen tijdens de soejoed in het gebed verduidelijkt. Dit houdt in dat de handpalmen stevig op de grond worden geplaatst met de vingers bij elkaar, gericht naar de qibla en dat de ellebogen - het gewricht tussen de arm en de bovenarm - omhoog worden gehouden, zonder de grond aan te raken en gespreid van de zijkanten van het lichaam.