Er werden krijgsgevangenen uit de stam Hawazin tot de Profeet (vrede zij met hem) gebracht. Onder hen bevond zich een vrouw die radeloos op zoek was naar haar zoontje. Wanneer zij een willekeurig kind vond, nam zij het op, zoogde het, vanwege de pijn die zij ondervond door de ophoping van melk in haar borsten. Uiteindelijk vond zij haar eigen zoon tussen de gevangenen, waarop zij hem stevig tegen haar buik drukte en begon te zogen. De Profeet (vrede zij met hem) vroeg zijn metgezellen: “Denken jullie dat deze vrouw haar kind in het vuur zou werpen? Wij antwoordden: “Neen, zij zou dat nooit vrijwillig doen.” Daarop zei hij (vrede zij met hem): “Allah is barmhartiger voor Zijn dienaren dan deze vrouw voor haar kind.”