De profeet (vrede zij met hem) verbiedt het zweren bij de 'ṭawāghī', meervoud van 'ṭāghiya', zijnde de afgoden die de polytheïsten naast Allah aanbaden, en die de oorzaak waren van hun buitensporigheid en ongeloof. Hij (vrede zij met hem) verbiedt ook het zweren bij de voorouders, omdat het een gewoonte was van de Arabieren in de tijd van onwetendheid om bij hun voorouders te zweren uit trots en verering.