Abdoellah ibn Mas'oed (moge Allah tevreden zijn met hem) verklaarde over de woorden van Allah de Verhevene: {En wie daarin (in de Heilige Moskee) ten onrechte afwijkt, hem zullen Wij een pijnlijke bestraffing laten proeven} [al-Hadj: 25], dat als iemand zichzelf voorneemt en besluit om in het heiligdom van Mekka een slechte daad te verrichten — waarbij hij iets zou toestaan wat Allah verboden heeft, zoals kwaadspreken of moedwillige moord — dit onrecht is. Zelfs als deze intentie gevormd wordt in de stad Aden in Jemen, dan is hij nog steeds gerechtigd om een pijnlijke bestraffing van Allah te ondergaan vanwege zijn voornemen, zelfs als hij de daad niet uitvoert. Het voornemen is hiervoor voldoende.