Moeder der gelovigen, Aïcha -moge Allah tevreden met haar zijn- verhaalt dat de Profeet (vrede zij met hem) de mensen, wanneer hij hun een werk oplegde, slechts belastte met datgene wat voor hen licht en draaglijk was en niet met wat hun zwaar zou vallen, uit vrees dat zij anders niet in staat zouden zijn het blijvend vol te houden. Hijzelf handelde overeenkomstig dit beginsel van verlichten. Maar zij verlangden van hem dat hij hun een zwaardere opdracht oplegde, in de overtuiging dat zij slechts door het verzwaren van hun inspanning hun graden konden verheffen, terwijl hij daarvan vrijgesteld zou zijn. Toen zeiden zij: “Onze toestand is niet zoals die van u, o Boodschapper van Allah. Allah heeft immers uw vroegere en latere zonden vergeven.” Dan werd hij kwaad en die toorn werd zichtbaar in zijn gelaat, waarna hij sprak: “Waarlijk, de meest godvrezende onder u en degene met de diepste kennis van Allah, dat ben Ik. Verricht dus wat Ik u opdraag.”