De Profeet (vrede zij met hem) verbleef in i‘tikāf, een periode van afzondering in de moskee, om dichter tot Allah te naderen. Hij hoorde dat sommige metgezellen hun Koranrecitatie op een zodanig luid volume uitvoerden dat het anderen stoorde. Hij onthulde het gordijn van de koepel en berispte degenen die dit deden, waarbij hij hen herinnerde: ieder staat persoonlijk tot zijn Heer in gebed en recitatie; men mag elkaar niet hinderen, noch zijn stem verheffen boven die van een ander, hetzij tijdens de recitatie, hetzij tijdens het gebed.