De Profeet (vrede zij met hem) maakt hierin duidelijk dat er geen werkelijk, blijvend leven bestaat behalve het leven in het Hiernamaals — het leven in de nabijheid van Allah, onder Zijn welbehagen, genade en in Zijn paradijs. Want het wereldse leven is vergankelijk, tijdelijk en vol beproevingen, terwijl het leven van het Hiernamaals eeuwig, volmaakt en onvergankelijk is. Aansluitend verrichtte de Profeet (vrede zij met hem) een smeekbede waarin hij vergiffenis, eer en rechtschapenheid vroeg voor de Ansaar — de bewoners van Medina die de Profeet (vrede zij met hem) en de Moehajirien gastvrij hebben onthaald, hen geholpen hebben en hun rijkdommen met hen gedeeld hebben — evenals voor de Moehajirien, die hun huizen, bezit en vaderland hebben verlaten uit verlangen naar de genade en het welbehagen van Allah.