Tijdens het tijdperk van de Profeet (vrede zij met hem) was er een man genaamd ‘Abdoellah, bijgenaamd Ḥimar. Deze man bracht de Profeet soms aan het lachen met zijn woorden. Hoewel hij eerder gestraft was wegens het drinken van alcohol, werd hij op een dag weer gebracht nadat hij gedronken had en kreeg hij opnieuw een stokslag. Een van de aanwezigen riep uit: “Moge Allah hem vervloeken! Hoe vaak moet hij nog betrapt worden op drinken?” De Profeet (vrede zij met hem) antwoordde: “Vervloek hem niet en sluit hem niet uit van Allahs genade; bij Allah, ik weet niets anders dan dat hij Allah en Zijn Boodschapper liefheeft.”