De engel Giebriel (vrede zij met hem) begaf zich naar de Profeet (vrede zij met hem) en stelde hem de vraag: '‘O Mohammed, ben je ziek?’' De Profeet antwoordde: '‘Ja.’' Daarop verrichtte Jiebriel een roeqya over de Profeet met de volgende woorden: “In de Naam van Allah,” steunend op Zijn verheven Wezen, “doe ik roeqya voor je”, “tegen alles wat je kan schaden,” of het nu gering of ernstig is, “tegen het kwaad van iedere ziel,” “en tegen de afgunstige blik van een jaloerse” opdat deze jou niet treft. “Moge Allah jou genezen,” moge Hij jou beschermen, genezing schenken en behoeden voor elk kwaad. “In de Naam van Allah doe ik roeqya voor je,” herhaalde hij deze woorden omwille van de nadruk en bekrachtiging. Hij begon en eindigde met de Naam van Allah, als aanwijzing dat er niemand is die baat of nadeel kan brengen, behalve Hij, de Verhevene.