De Profeet (vrede zij met hem) stond op onder zijn metgezellen en sprak hen toe met een redevoering, waarin hij onder andere het volgende benadrukte: "Allah heeft hem geopenbaard dat het de mensen past om nederig en bescheiden met elkaar om te gaan. Dit houdt in: zachtmoedigheid en vriendelijkheid betonen, het eigen ego beteugelen en hoogmoed vermijden. Niemand dient zich op basis van afkomst, rijkdom of andere wereldse zaken boven een ander te verheffen en evenmin is het toegestaan dat iemand een ander onrecht aandoet of zich agressief opstelt."