De Profeet (vrede zij met hem) heeft aangegeven dat de gelovige altijd in de ruime mogelijkheden van goede daden, de hoop op de genade, vergiffenis en de vergeving van Allah verkeert, zolang hij geen verboden bloed vergiet. Zodra hij echter een verboden moord begaat, wordt zijn religieuze ruimte beknopter, omdat zijn daden niet voldoende zijn om de zware zonde van moord te vergoeden.