De profeet (vrede zij met hem) heeft duidelijk gemaakt dat het volledige geloof van een moslim niet gerealiseerd wordt totdat hij voor zijn broeder wenst wat hij voor zichzelf wenst aan gehoorzaamheid en allerlei vormen van goedheid in zowel religieuze als wereldse zaken. Hij dient voor zijn broeder te haten wat hij voor zichzelf haat. Als hij bij zijn moslimbroeder een tekortkoming in zijn religie ziet, moet hij zich inspannen om hem te verbeteren. Als hij iets goeds in hem ziet, moet hij hem versterken, hem helpen en hem adviseren in zowel religieuze als wereldse zaken.