De Profeet (vrede en zegeningen zij met hem) vertelde dat zijn kleinkinderen, al-Ḥasan en al-Ḥusain, de zonen van ʿAli ibn Abi Ṭalib en Faṭima (moge Allah tevreden met hen zijn), de leiders zijn van alle jongeren die het Paradijs binnengaan. Dit kan zowel verwijzen naar hun superioriteit boven alle jongeren die het Paradijs betreden, als hun bijzondere status onder de jongeren van het Paradijs, met uitzondering van de profeten en de rechtgeleide kaliefen.