De Profeet (vrede zij met hem) heeft verteld dat alle profeten door Allah werden bijgestaan en hen de wonderen en bovennatuurlijke tekenen werden geschonken die hun profeetschap bevestigden, zodat ieder die deze aanschouwde, in hun waarheid moest geloven. Deze tekenen waren zodanig overweldigend dat zij zich er niet tegen konden verzetten, hoewel er enkelen waren die ze ontkenden en koppig bleven. Wat hem (vrede zij met hem) betreft, zijn teken en wonder het Boek, de Koran, die Allah hem heeft geopenbaard. Dit vanwege de duidelijke, voortdurende wonderbaarlijkheid, de overvloedige voordelen en de universele bruikbaarheid: het bevat zowel oproep tot het geloof, argumentatie, als kennis van wat komen zal. Zo strekt het nut ervan zich uit tot hen die aanwezig zijn, tot hen die afwezig zijn, tot hen die leefden en tot hen die nog zullen komen. Vervolgens zei hij: “Ik hoop op de Dag des Oordeels tot de meerderheid van hen te behoren die gevolgd wordt.”